Parkinson

Voeding bij de Ziekte van Parkinson

Bij de ziekte van Parkinson kan het eten en drinken op den duur moeizamer gaan. Door de bijbehorende medicijnen kunnen ook klachten ontstaan zoals verminderde eetlust, kauw- en slikproblemen, misselijkheid, obstipatie (verstopping) en gewichtsverlies. Soms is de werking van Levodopa te optimaliseren door een goede eiwitverdeling over de dag. Deze brochure geeft praktische voedingstips om de klachten te verminderen of uw conditie te verbeteren.

Gezonde voeding
Gezonde voeding levert de voedingsstoffen die nodig zijn om het lichaam gezond te houden. Het is de basis voor een gezond gewicht. Gezond eten betekent vooral: gevarieerd eten. Er is niet één voedingsmiddel dat alle voedingsstoffen in voldoende mate bevat, door te variëren krijgt u alle benodigde stoffen binnen. Het Voedingscentrum heeft een voedingsadvies dat voor iedereen geldt: de Schijf van Vijf. In de Schijf van Vijf staan de producten beschreven die de meeste gezondheidswinst opleveren. Hoe vaker u een gezonde keuze maakt, hoe meer u gezond eet. Meer informatie: www.voedingscentrum.nl

1. Onbedoeld gewcihts verlies / ondervoeding

Gewichtverlies ontstaat vaak al een aantal jaren voordat de diagnose Ziekte van Parkinson wordt gesteld. Het gewichtsverlies neemt toe bij progressie van de ziekte, bij motorische fluctuaties en slechte respons op de behandeling. Gewichtsverlies verhoogt het risico op het ontstaan van ondervoeding. Bij 3-60% van de patiënten is sprake van een risico op ondervoeding en bij 24% is sprake van ondervoeding. Deze prevalentiecijfers variëren sterk omdat er verschillende criteria voor het definiëren van ondervoeding/risico op ondervoeding zijn gebruikt en de onderzoekspopulaties variëren in leeftijd en stadium van de Ziekte van Parkinson. 

2. Obstipatie

Obstipatie komt voor bij 30-35% van de patiënten met de Ziekte van Parkinson. De pathofysiologie wordt deels bepaald door het optreden van neurodegeneratie in de plexus myentericus. Immobiliteit en een verminderde vocht- en/of vezelinname kunnen tevens een rol spelen. Obstipatie kan al ontstaan voordat de diagnose Ziekte van Parkinson wordt gesteld. Obstipatie komt ook veel voor bij patiënten met MSA. Obstipatie kan leiden tot een onvoorspelbare opname van de Parkinsonmedicatie, waardoor responsfluctuaties kunnen ontstaan of verergeren, maar obstipatie geeft de patiënt ook veel ongemak.

3. Medicatie-inname en responsfluctuaties in relatie tot voeding

Levodopa is tot op heden de meest effectieve Parkinsonmedicatie. Eiwitten kunnen bij zowel de opname in de darm als bij de passage van de bloed-hersenbarrière een competitie aangaan met levodopa en daardoor mogelijk het effect van levodopa remmen. De klinische relevantie van de competitie tussen de eiwitten en levodopa is nog onduidelijk.

4. Ongewenste gewichtstoenme/overgewicht

Gewichtstoename treedt op indien energieverbruik en energie-inname niet met elkaar in balans zijn. Ongewenste gewichtstoename kan ontstaan als gevolg van een gewijzigd leef-, beweeg- en voedingspatroon. Daarnaast kan ongewenste gewichtstoename een bijwerking zijn van de behandeling met dopamine agonisten, die obsessief eetgedrag kunnen veroorzaken, of van diepe hersenstimulatie (deep brain stimulation, DBS). Ongewenste gewichtstoename kan leiden tot een verhoogd risico op het ontstaan van het metabool syndroom, diabetes mellitus, hart- en vaatziekten.

5. Kauw- en slikstoornissen

In het algemeen zijn kauw- en slikstoornissen pas een laat symptoom bij de Ziekte van Parkinson. Bij MSA en PSP treden slikklachten al in een vroeger stadium op. Ongeveer 35% van de patiënten met de Ziekte van Parkinson ervaart subjectief een slikstoornis, echter bij het gebruik van objectieve parameters heeft 82% van de patiënten een slikstoornis. Hypokinesie en rigiditeit in het mondgebied kunnen leiden tot kauw- en slikstoornissen. Bij kauw- en slikstoornissen kan de patiënt problemen ervaren met het eten of drinken van bepaalde consistenties, waardoor een onvolwaardige voeding kan ontstaan en/ of gewichtsverlies kan optreden. 

6. Vertraagde maaglediging

Een vertraagde maaglediging komt regelmatig voor bij patiënten met de Ziekte van Parkinson, maar de precieze prevalentie is onduidelijk. De maaglediging kan al vanaf het begin van de ziekte vertraagd zijn. Een vertraagde maaglediging kan leiden tot een onvoorspelbare opname van de levodopa, verminderde werkzaamheid van de levodopa en tot klachten als een opgeblazen gevoel, snelle verzadiging en misselijkheid. Ook bij MSA komt een vertraagde maaglediging voor.
Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar het effect van voeding op de maaglediging. Bij gebruik van een vloeibare voeding is er minder vaak sprake van een vertraagde maaglediging dan bij het gebruik van een vaste voeding. Verder wordt de verteringssnelheid vertraagd door het gebruik van een vetrijke en/of vezelrijke voeding.

7. Orthostatische hypotensie

Orthostatische hypotensie komt bij ongeveer de helft van de patiënten voor en vindt meestal plaats in een gevorderd stadium van de Ziekte van Parkinson. Bij MSA is sprake van ernstige autonome functiestoornissen, waarbij orthostatische hypotensie al in een vroeg stadium kan optreden. Voedingsmaatregelen maken een klein onderdeel uitmaken van de behandeling van orthostatische hypotensie.

8. De rol van vitaminen en mineralen

Regelmatig hebben patiënten vragen over de mogelijke positieve effecten van het gebruik van vitaminen- en mineralensupplementen en in het bijzonder de anti-oxidanten zoals vitamine E en co-enzym Q10.
Verder hebben patiënten met de Ziekte van Parkinson een verhoogd risico op een vitamine D deficiëntie. Een vitamine D deficiëntie verhoogt het risico op een verminderde botdichtheid, osteoporose, vallen en heupfracturen.
Daarnaast lijkt een relatie te bestaan tussen langdurig gebruik van hoge dosis levodopa en het ontstaan van polyneuropathie, die mogelijk veroorzaakt wordt door een vitamine B12 tekort.

Voeding en gebruik van Levodopa

Bij de ziekte van Parkinson is er een tekort aan dopamine in de hersenen. Parkinson patiënten krijgen daarom vaak Levodopa voorgeschreven; dit is een stof die in het lichaam omgezet wordt in dopamine. Levodopa gaat via de maag naar de dunne darm en wordt daar naar het bloed getransporteerd. Vervolgens wordt Levodopa vanuit het bloed in de hersenen opgenomen. In de hersenen wordt de Levodopa omgezet in dopamine. Het tekort aan dopamine in de hersenen wordt op deze manier aangevuld. De opname van Levodopa kan op verschillende manieren verstoord worden. Dit kan door een volle maag, door obstipatie (verstopping) of door het eten van eiwitten.

Adviezen bij het innemen van Levodopa:

  • Neem Levodopa een half uur voor de maaltijd in, op een lege maag of een 1 tot 1,5 uur na de maaltijd.
  • Neem Levodopa in met water of appelmoes.
  • Neem Levodopa nooit in met melk of melkproducten.
  • Zorg voor een goede stoelgang (voor adviezen lees verder)
  • Verdeel het eiwit optimaal over de dag. Eventueel kan een eiwitbeperkt dieet uitgeprobeerd worden.

Eiwitbeperking bij gebruik van Levodopa

Bij sommige Parkinson patiënten wordt de werking van Levodopa beïnvloed door de inname van eiwitten. Door de inname van eiwitten licht te beperken en door de eiwitten beter over de dag te verdelen kan de werking van de Levodopa bevorderd worden. De gevolgen van de beperking en de verdeling van de eiwitten over de dag is per persoon verschillend. Binnen enkele dagen weet u of u er baat bij heeft, of het medicijn beter werkt. Eiwitten zitten in melk, melkproducten, kaas, vis, vlees, vleeswaren, eieren,
noten en in mindere mate in brood, aardappelen en groente.
Bij een lichte eiwitbeperking gaan we uit van 0,8 gram eiwit per kg lichaamsgewicht.
Dus bij een gewicht van 70 kg, heeft u 70 x 0,8 g eiwit = 56 gram
eiwit per dag nodig.

Om u een indruk te geven hoeveel eiwitten in voedingsmiddelen zitten,
zie onderstaande berekening van een dagmenu:

4 sneden brood = 12 gram eiwit
beleg van 1 plak kaas = 5 gram eiwit
en 2 plakken vleeswaar = 6 gram eiwit
2 bekers melk van 150 ml = 10 gram eiwit
1 stukje vlees = 20 gram eiwit
2 aardappelen = 2 gram eiwit
1 portie groente = 2 gram eiwit
_____________________________________________________________
Totaal: 57 gram eiwit

Verder is het belangrijk dat de eiwitrijke producten uit de voeding gelijkmatig over de dag verdeeld worden, bij voorkeur over de 3 hoofdmaaltijden en de drie tussenmaaltijden.

Een goede eiwitverdeling betekent in de praktijk:

  • Neem per broodmaaltijd maximaal 1 boterham met hartig beleg.
  • Gebruik bij hoofdmaaltijden bouillon, water, vruchtensap, koffie of thee om te drinken (= eiwitarm)
  • Gebruik melkproducten zoveel mogelijk tijdens de 3 tussenmaaltijden. Een persoonlijk dieetadvies met betrekking tot de eiwitverdeling kunt u het beste vragen aan een diëtist

Adviezen bij obstipatie (moeizame ontlasting/verstopping)

De werking van de darmspieren kan door de ziekte van Parkinson veranderd zijn. Door deze veranderingen kan het zijn dat uw stoelgang minder soepel en minder frequent is. We spreken van obstipatie als u minder dan driemaal per week ontlasting heeft, als de ontlasting hard is en als deze alleen door hard persen naar buiten komt. Obstipatie kan ook veroorzaakt worden doordat er te weinig voedingsvezel en/of te weinig vocht in de voeding zit, door te weinig beweging of door een combinatie van deze oorzaken.

Adviezen om de stoelgang te verbeteren:

  • Gebruik dagelijks 2 stuks fruit en 200 gram groenten.
  • Gebruik volkoren producten zoals volkorenbrood, volkorenbeschuit of bruinbrood.
  • Gebruik bij pap Brinta, Bambix of Havermout.
  • Drink voldoende: 1,5 tot 2 liter vocht = 12-15 consumpties.
  • Eet regelmatig: gebruik dagelijks 3 hoofdmaaltijden en 3 tussenmaaltijden.
  • Eet rustig en kauw goed.
  • Rook niet.
  • Zorg voor zoveel mogelijk lichaamsbeweging.
  • Geef gehoor aan "aandrang" om naar het toilet te gaan.

Adviezen bij verminderende eetlust of misselijkheid

Misselijkheid en een verminderde eetlust kunnen bijwerkingen zijn van antiParkinsonmedicatie.
Wanneer u misselijk bent of een verminderde eetlust heeft, kunt u rekening houden met het volgende:

  • Zorg dat u regelmatig eet. Verdeel de maaltijden over de dag en zorg dat u steeds kleine hoeveelheden eet. Zorg er daarnaast voor dat tussendoortjes niet te vet zijn. Te vet eten remt de eetlust en vertraagt de maaglediging.
  • Eet gevarieerd: verandering van spijs doet eten. Zorg daarom voor variatie in de smaak van het eten (zoet-zuur), de temperatuur (warm-koud), de ingrediënten en de wijze van bereiden.
  • Drink voldoende, minimaal 1,5 liter vocht per dag. Dit staat gelijk aan ongeveer 12 kopjes. Alle vocht is goed: water, vruchtensap, limonade, melk, karnemelk, yoghurt, vla, soep, bouillon, koffie, thee
  • Eet op tijdstippen dat u minder misselijk bent, zelfs ’s nachts als u wakker bent
  • Eet bij de warme maaltijd geen soep. Door de soep krijgt de maaltijd teveel volume.
  • Vaak staan warme gerechten tegen. Eet dan brood of een salade.
  • Eet rustig en kauw goed.

Adviezen bij gewichtsverlies

Veranderingen in het lichaamsgewicht worden veroorzaakt door veranderingen in de energiebalans. De energiebalans. De energiebalans wordt bepaald door de energie-inname (dat u wat eet) door te weinig energie-inname of door een verhoogd energieverbruik. Om het gewichtsverlies te voorkomen of te beperkenis het goed om ervoor te zorgen dat de voeding meer energie bevat.

Dit kunt u bereiken door:

  • Regelmatig te eten. Naast de drie hoofdmaaltijden ook drie tussenmaaltijden te gebruiken.
  • Als tussenmaaltijd zowel zoete als hartige versnaperingen te gebruiken.
  • Voorbeelden van zoete versnaperingen zijn een koekje, een chocolaatje, een plak ontbijtkoek, maar ook fruit of een glas vruchtensap. Voorbeelden van hartige versnaperingen zijn blokjes kaas, pinda’s, chips, toastjes met beleg.
  • Volle producten te gebruiken als volle melk, volle yoghurt, volle kwark, volvette kaas, slagroom, magere en vettere vleeswaren en vleessoorten afwisselen.
  • Het nagerecht een half uur na de warme maaltijd gebruiken.
  • Geen soep vlak voor de maaltijd te gebruiken. Soep vermindert de eetlust en bevat weinig energie.
  • Gevarieerd te eten, verandering van spijs doet eten. Vervang vlees door bijvoorbeeld kip, vis, ei of vegetarische vleesvervangers. Aardappelen kunt u vervangen door frites, rijst, macaroni of spaghetti. Brood kunt u afwisselen met krentenbrood, suikerbrood of een kom pap.

Adviezen bij kauw- en slikproblemen

Als u moeite heeft met kauwen of slikken is het goed om een zachte, gemalen en eventueel een vloeibare voeding te gaan gebruiken.

Brood kunt u vervangen door pap, vla, yoghurt, kwark of drinkontbijt. Andere opties zijn brood zonder korst eten of krentenbrood, een pannenkoek of zachte bolletje.

U kunt de warme maaltijd koken zoals u gewend bent. Verschillende onderdelen als het vlees, de aardappelen en groente mogen fijn gesneden worden, gestampt of gemixt. Ook kunt u de warme maaltijd smeuïger maken met wat extra jus, saus of appelmoes. Op advies van de logopedist kunnen dranken zo nodig ingedikt worden met een verdikkingsmiddel om verslikken te voorkomen.