Diabetes: pomptherapie voorinformatie

De behandeling

De laatste jaren wordt er vaker naar de mogelijkheid voor pomptherapie gekeken. Leeftijd is geen criterium voor een pomp. Volwassenen kunnen enorme bloedglucose-schommelingen doormaken en daardoor volledig uit evenwicht raken. Typische klachten zijn aanhoudende moeheid, concentratieproblemen, prikkelbaarheid, lusteloosheid en het gevoel "een ander mens" te zijn. Met een insulinepomp en goede begeleiding kunnen opmerkelijke verbeteringen bereikt worden.

Wat is insulinepomptherapie?

Insulinepomptherapie is een van de behandelmethodes van diabetes mellitus. Het is een andere manier van insuline toedienen. Een insulinepomp is een apparaatje waardoor de insuline wordt toegediend (of via een slangetje of als “plakpomp”). Het naaldje wordt onderhuids, meestal in de buik, gedragen. Het pompje draagt u bij u. In de pomp zit een ampul met ultra-kortwerkende insuline.

Ieder mens heeft continu insuline nodig om zijn lichaam te laten functioneren. Deze behoefte noemen we de basale insulinebehoefte. Daarnaast moet u zelf met de pomp extra insuline (=bolus) toedienen bij de maaltijd of bij te hoge glucosewaarden.

Uitgebreide informatie over de diverse pompen kunt u vinden op de website www.pompnet.nl.

Voor wie is insulinepomptherapie bedoeld?

De therapie is bedoeld voor gemotiveerde mensen die ondanks vier maal daags insuline spuiten en een goede zelfzorg géén goede regulatie bereiken. De insulinepomp is ook zinvol wanneer een ‘scherpe’ instelling nodig is, bijvoorbeeld bij een zwangerschapswens of als er sprake is van ernstige zenuwpijnen (=neuropathie).

Om insulinepomptherapie een goede kans van slagen te geven, is het zeker bij het starten van de therapie van belang dat u er veel tijd en aandacht aan besteedt. Het is een misverstand dat de diabetes door de pomp zelf wordt gereguleerd.

Wanneer komt u ervoor in aanmerking?

Uit ervaring is gebleken dat de therapie de meeste kans van slagen heeft als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • u injecteert minimaal vier maal daags insuline en doet aan zelfregulatie (langer dan drie maanden); 
  • u bent bereid om vier maal daags uw bloedglucose te bepalen en in staat om naar aanleiding hiervan zelfregulatie toe te passen; 
  • u heeft meerdere keren per jaar contact met uw internist en/of diabetesverpleegkundige; 
  • u bent bekend met het berekenen van koolhydraten en past dit ook toe; 
  • u kunt zelfstandig de insulinepomptherapie toepassen.

U komt niet voor de therapie in aanmerking in geval van:

  • onbehandelde retinopathie (ziekte van het netvlies); 
  • ernstige taalbarrière; 
  • psychologische en sociale factoren waarvan het diabetesteam inschat dat deze een belemmering vormen voor behandeling met de insulinepomp.

Voordelen:

  • de insulineafgifte kan per (half) uur ingesteld worden, zodat de dosering nog beter aangepast kan worden aan uw lichaamsbehoefte. Dit leidt tot betere bloedglucosewaarden (daling van het HbA1c) en minder bloedglucoseschommelingen waardoor u zich beter gaat voelen; 
  • meer vrijheid door het gemak waarmee u 'even' kunt bijklikken om uw bloedsuiker te reguleren; 
  • maximaal 1 x per 2- 3 dagen een canule inbrengen in plaats van 4 a 5 keer injecteren per dag.

Nadelen:

  • u heeft altijd iets 'aan uw lijf' zitten;
  • u moet minimaal 4 keer per dag uw bloedsuiker controleren;
  • u moet de insulinepomp zelf instellen en bedienen;
  • u moet altijd voldoende materialen in huis en bij u hebben voor het gebruik van de pomp (insuline, reservoir, catheter en batterijen);
  • u heeft eerder kans op een ketoacidose (verzuring van het lichaam door een gebrek aan insuline). U moet dus altijd een insulinepen met kortwerkende insuline bij u hebben om kortwerkende insuline te kunnen spuiten als de pomp het laat afweten. Zie ook 'diabetische ketoacidose'.

 

 

Voor de behandeling

Vóór u kunt starten met insulinepomptherapie doorloopt u het volgende traject:

  • Allereerst bezoekt u de diabetesverpleegkundige die u uitgebreid uitleg geeft over de therapie en de voor- en nadelen met u bespreekt. 
  • Hierna neemt u een besluit over het wel of niet starten met de insulinepomp en maakt u een keuze voor een pomp. 
  • Vervolgens krijgt u uitleg over de werking van de insulinepomp. Dit gebeurt door een medewerker van de insulinepompleverancier. 
  • Ter voorbereiding op de start van de therapie bezoekt u nogmaal de diabetesverpleegkundige. 
  • De start van de pomptherapie vindt in principe klinisch plaats.