Controles tijdens de zwangerschap

Tijdens de zwangerschap worden de volgende onderzoeken uitgevoerd:

Beoordelen van de groei van de baarmoeder

Bij elk bezoek wordt de groei van de baarmoeder nagegaan. Via de buik wordt de baarmoeder met de handen afgetast. Zo controleert de verloskundige of arts of de baby voldoende groeit. Vaak wordt na de derde maand naar de harttonen van de baby geluisterd. In de laatste maanden van de zwangerschap wordt de ligging van de baby bepaald. In de laatste weken wordt gevoeld of het hoofd of de stuit van de baby indaalt in het bekken.

Meten van de bloeddruk

Bij elke controle wordt uw bloeddruk gemeten. De bloeddruk wordt weergegeven in een bovendruk en een onderdruk (bijvoorbeeld 120/60). Vooral de onderdruk is van belang. Tegen het einde van de zwangerschap kan deze wat hoger worden. Een lage bloeddruk tijdens de zwangerschap kan geen kwaad, maar geeft soms vervelende klachten, zoals duizeligheid. Een hoge bloeddruk maakt vaak extra zorg voor moeder en kind noodzakelijk.

Meten van het gewicht

Bij een normaal verlopende zwangerschap vindt geen gewichtscontrole plaats. Gemiddeld neemt uw gewicht met 10 tot 15 kilo toe in de zwangerschap.

Urineonderzoek

Sommige verloskundigen, huisartsen en gynaecologen controleren de urine van zwangere vrouwen op de aanwezigheid van eiwit en suiker. Dit is geen standaarcontrole meer. Wel wordt bij een hoge bloeddruk gekeken of er eiwit in de urine zit.

Bloedonderzoek

Bij elke zwangerschap wordt het bloed onderzocht op:

  • de bloedgroep;
  • resusfactor;
  • lues;
  • hepatitis B;
  • irregulaire antistoffen.

Mocht u bezwaar hebben tegen dit bloedonderzoek, dan kunt u dit altijd met uw verloskundige of arts bespreken.

Rode hond wordt niet standaard bij elke zwangere gecontroleerd. Een HIV-test ('AIDS-test') gebeurt alleen op uw verzoek.

Bloedgroep

De bloedgroep kan A, B, AB of 0 zijn. Het is belangrijk uw bloedgroep te weten voor het geval dat u een bloedtransfusie nodig hebt of voor de situatie dat de baby na de geboorte geel wordt.

Onderzoek naar irregulaire antistoffen

Irregulaire antistoffen zijn antistoffen in het bloed. Ze ontstaan na een bloedtransfusie, maar kunnen ook voorkomen na een zwangerschap. Deze antistoffen kunnen het bloed van de baby geleidelijk afbreken. De baby kan daardoor al tijdens de zwangerschap bloedarmoede krijgen. Na de bevalling heeft de baby een verhoogde kans om geel te worden.

Elke zwangere wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van irregulaire antistoffen in het bloed. Als deze antistoffen gevonden worden, kan ook aan de partner gevraagd worden om zijn bloed te laten controleren. Daarmee kan bepaald worden of er extra controles tijdens de zwangerschap noodzakelijk zijn.

Als u niet precies weet wie de vader is van uw baby, is het verstandig dit aan de verloskundige of arts te vertellen.

Rhesus factor

Er bestaan verschillende soorten Rhesus-bloedgroepen. Tijdens de zwangerschap zijn vooral de bloedgroepen Rhesus (c) en Rhesus (D) van belang.

Bloedgroep Rhesus (c)

Het laboratorium onderzoekt welke Rhesus (c)-bloedgroep u heeft. U kunt Rhesus (c)-positief of Rhesus (c)-negatief zijn. Welke bloedgroep u heeft, is een kwestie van erfelijkheid, net als de kleur van uw ogen en haar. Van alle zwangeren heeft 82% bloedgroep Rhesus (c)-positief en 18% heeft bloedgroep Rhesus (c)-negatief.

Soms maken vrouwen met bloedgroep Rhesus (c)-negatief antistoffen tegen het bloed van de baby. Deze antistoffen kunnen bloedarmoede bij de baby veroorzaken. Het bloed van zwangeren met bloedgroep Rhesus (c)-negatief wordt daarom in week 27 van de zwangerschap nog een keer onderzocht op deze antistoffen. Als het laboratorium Rhesus (c)-antistoffen vindt, krijgt u verder onderzoek. Zwangeren met de bloedgroep Rhesus (c)-positief hebben geen verder onderzoek nodig.

Bloedgroep Rhesus (D)

Het laboratorium onderzoekt ook welke Rhesus (D)-bloedgroep u heeft. Van de zwangeren heeft 84% bloedgroep Rhesus (D)-positief en 16% Rhesus (D)-negatief.

U heeft bloedgroep Rhesus (D)-positief.

Als u bloedgroep Rhesus (D)-positief heeft, dan is er geen verder onderzoek nodig.

U heeft bloedgroep Rhesus (D)-negatief

Een zwangere met bloedgroep Rhesus (D)-negatief heeft wat extra aandacht nodig. Tijdens de zwangerschap is er namelijk een kleine kans dat er bloed van de baby in de bloedbaan van de moeder komt. Bij de geboorte is die kans zelfs vrij groot. Als bloed van een Rhesus (D)-positieve baby in de bloedbaan van een Rhesus (D)-negatieve moeder komt, kan de moeder antistoffen gaan maken. Deze antistoffen kunnen via de navelstreng het bloed van de baby bereiken en afbreken, waardoor deze (of een volgende) baby bloedarmoede krijgt. Daarom wordt in week 27 van de zwangerschap uw bloed onderzocht op antistoffen tegen Rhesus (D). In hetzelfde bloed bepaalt het laboratorium ook de Rhesus (D)-bloedgroep van uw kind. Het laboratorium gebruikt daarvoor erfelijk materiaal (DNA) van het kind dat in kleine hoeveelheden aanwezig is in uw bloed.

Uw kind heeft bloedgroep Rhesus (D)-negatief

Omdat uw kind bloedgroep Rhesus (D)-negatief heeft, zult u geen Rhesus (D)-antistoffen maken tegen het bloed van uw kind. U hoeft verder niet meer gecontroleerd te worden op Rhesus (D)-antistoffen.

Uw kind heeft bloedgroep Rhesus (D)-positief:

U krijgt in week 30 van de zwangerschap een injectie met anti-Rhesus D-antistoffen. De injectie maakt de kans erg klein dat u zelf antistoffen gaat vormen die de baby ziek kunnen maken. De baby merkt niets van de injectie en loopt geen enkel risico. Na de bevalling krijgt u nog een keer een injectie met anti-Rhesus D-antistoffen. Het is belangrijk dat u zelf geen antistoffen gaat maken. Deze zouden schadelijk kunnen zijn als u later opnieuw zwanger wordt van een Rhesus D-positief kind. Ook in een aantal bijzondere verloskundige situaties krijgt u (extra) anti-Rhesus-D-antistoffen toegediend.

Lues

Lues (syfilis) is een seksueel overdraagbare aandoening (soa). De infectie wordt overgebracht via geslachtsgemeenschap. Bij behandeling vroeg in de zwangerschap zijn er geen gevaren voor het kind. Wordt de ziekte niet ontdekt, dan loopt de baby een groot risico om in de baarmoeder te overlijden of ernstig ziek geboren te worden. Daarom krijgt u bij zwangerschap altijd het advies u te laten testen op lues, ook als u denkt dat u weinig of geen kans op deze ziekte maakt.

Hepatitis B

Hepatitis B is een infectieziekte van de lever die wordt veroorzaakt door een virus. Dragerschap van hepatitis B geeft in meer dan de helft van de gevallen geen klachten. In andere gevallen kan er sprake zijn geweest van geelzucht, of soms alleen van vermoeidheid.Besmetting kan plaatsvinden bij de geboorte, via geslachtsgemeenschap of via het bloed van iemand die de ziekte heeft.

Bloedonderzoek kan aantonen of u het hepatitis-B-virus draagt; in dat geval is er een risico dat de baby besmet wordt. Toch hoeft uw kind dan niet ziek te worden: vanaf de geboorte worden injecties gegeven om de ziekte hepatitis te voorkomen. Ook bespreekt de verloskundige, huisarts of gynaecoloog met u hoe u de kans op besmetting van uw omgeving zo klein mogelijk kunt houden. De GGD kan hierbij behulpzaam zijn.

Rode hond (rubella)

Ook rode hond wordt veroorzaakt door een virus. Als u geen antistoffen tegen rode hond heeft, kan een infectie tijdens de zwangerschap afwijkingen bij het kind veroorzaken. De meeste vrouwen hebben op 11-jarige leeftijd een vaccinatie tegen rode hond gehad. Vrouwen die in het buitenland geboren zijn, kunnen het beste bloedonderzoek laten doen naar antistoffen tegen rode hond.

Als er geen antistoffen aanwezig zijn, kan in of na het kraambed vaccinatie plaatsvinden met BMR (bof, mazelen en rode hond). In een volgende zwangerschap is er dan geen gevaar meer voor besmetting met rode hond.

Extra onderzoek

De volgende onderzoeken worden niet als routine gedaan. Ze worden alleen besproken of geadviseerd als er een reden voor is.

HIV-test

Het humaan immunodeficiëntievirus (HIV) is de verwekker van AIDS. Als een vrouw voor of tijdens de zwangerschap geïnfecteerd wordt met HIV, kan zij dit virus op haar baby overdragen. Dit kan tijdens de bevalling gebeuren of bij de borstvoeding. Hierdoor kan ook de baby AIDS krijgen. Tegenwoordig kan het ziek-worden door AIDS met een combinatie van medicijnen worden uitgesteld. De levensverwachting neemt daardoor toe. Als bekend is dat een zwangere geïnfecteerd is met HIV, kunnen medicijnen de kans op overdracht van het virus op de baby verkleinen. Borstvoeding wordt dan afgeraden.

Infectie met HIV kan optreden door

  • gemeenschappelijk gebruik van naalden of spuiten
  • via seksueel contact zonder condoom.
  • bloedtransfusies (in Nederland tussen 1980 en 1985).

Ook de voorgeschiedenis van uw partner wat betreft het gebruik van drugs, bloedtransfusies of wisselende contacten is van belang.

Door middel van bloedonderzoek is een eventuele infectie met HIV aan te tonen.

Onderzoek naar andere seksueel overdraagbare ziekten

Als u bang bent dat een van u beiden door wisselende seksuele contacten een seksueel overdraagbare ziekte heeft opgelopen, is het belangrijk dit aan uw verloskundige of arts te vertellen. Voorbeelden van seksueel overdraagbare ziekten zijn chlamydia en gonorroe (druiper).

Bij de baby kunnen ontstekingen van de ogen of een longontsteking optreden. Onderzoek is mogelijk door bijvoorbeeld een kweek van de baarmoedermond af te nemen. De behandeling bestaat uit een antibioticakuur die niet schadelijk is voor het ongeboren kind. Ook de partner wordt doorgaans behandeld.

Echoscopisch onderzoek

Echoscopisch onderzoek wordt alleen gedaan als er een reden voor is en als het onderzoek nuttige informatie kan opleveren. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom echoscopisch onderzoek geadviseerd wordt:

  • Bij een onzekere duur van de zwangerschap geeft echoscopisch onderzoek in de eerste maanden een vrij nauwkeurige indruk van de zwangerschapsduur en de uitgerekende datum.
  • Bij bloedverlies in de zwangerschap kan vastgesteld worden of de zwangerschap intact is. Het hartje klopt dan. Bloedverlies kan een voorteken zijn van een miskraam, maar in de helft van de gevallen is er niets mis met de zwangerschap. Het is van belang dat u zich realiseert dat echoscopisch onderzoek niets veranderd aan de uitkomst van de zwangerschap.

Onderzoek naar erfelijke en aangeboren aandoeningen

Onderzoek naar aangeboren afwijkingen (prenatale diagnostiek) gebeurt nooit als routine. Het wordt alleen met u besproken als er een reden voor is. Redenen kunnen zijn:

  • aangeboren of erfelijke aandoeningen in uw familie of die van uw partner,
  • een ziekte van uzelf zoals suikerziekte,
  • het gebruik van bepaalde medicijnen die mogelijk schadelijk zijn in de zwangerschap.
  • als de moeder 36 jaar of ouder is. De kans op een kind met een chromosoomafwijking neemt geleidelijk toe met de leeftijd; aangeboren afwijkingen zoals een open rug komen op hogere leeftijd niet vaker voor.

Onderzoek naar erfelijke en aangeboren aandoeningen wordt antenatale of prenatale diagnostiek genoemd Met een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie kunnen chromosoomafwijkingen worden aangetoond. Een voorbeeld is Downsyndroom. Twee onderzoeken kunnen aangeven of u een grote of kleine kans hebt op een kind met Downsyndroom.

  • Echchoscopisch onderzoek. Daarbij wordt de dikte gemeten van de nekplooi van de foetus (de vrucht) in de derde maand van de zwangerschap.
  • Bloedonderzoek. Dit onderzoek vindt plaats bij 15 weken en geeft informatie over de kans op een open ruggetje.

Deze testen bieden echter geen zekerheid: zij kunnen ook ten onrechte een alarmerende (of geruststellende) uitkomst hebben.

Tot slot kan uitgebreid echoscopisch onderzoek gedaan worden in de vierde of vijfde maand van de zwangerschap. Een aantal, maar niet alle, aangeboren afwijkingen kunnen hiermee worden gezien.

Als de verloskundige of arts onderzoek naar erfelijke of aangeboren aandoeningen met u bespreekt, bent u degene die moet beslissen of u er gebruik van wilt maken. De onderzoeken bieden meestal zekerheid over de vraag of bepaalde aandoeningen al dan niet aanwezig zijn, maar andere afwijkingen kunnen over het hoofd gezien worden. Hoewel het in de praktijk vaak moeilijk is, kunt u proberen van tevoren te bedenken wat het vinden van een aandoening voor u zal betekenen. Dit kan een rol spelen bij uw besluit of u aanvullend onderzoek wilt laten verrichten. Verdere vragen kunt u bespreken met uw verloskundige of arts.