Boezemfibrilleren (atriumfibrilleren)

De behandeling

Diagnose

De diagnose van boezemfibrilleren wordt gesteld op grond van uw ziektegeschiedenis, anamnese en met name een Elektrocardiografie (ECG) en een lichamelijk onderzoek. Met bloedonderzoek worden eventuele veranderingen in de samenstelling van het bloed opgespoord. Een thoraxfoto (longfoto) kan helpen een achterliggende hartaandoening aan het licht te brengen. Een echocardiogram is om afwijkende oorzaken van het hart uit te sluiten.

Beloop

Boezemfibrilleren begint vaak met korte aanvallen die spontaan over gaan. In de loop van de tijd gaan deze aanvallen langer duren en op een gegeven moment stoppen ze alleen nog na het toedienen van medicijnen of een elektrische shock. Nog later kan een situatie ontstaan waarbij shocks nog maar voor heel even helpen of helemaal niet meer. Het boezemfibrilleren is dan chronisch geworden. Medicijnen die eerder goed hielpen, doen dit later soms niet meer. Hoewel dit patroon bij veel mensen voorkomt, kan het ook een heel ander beloop hebben.

Tijdens de behandeling

Monitor

Als u wordt opgenomen op de hartbewaking (3 Noord), komt u aan een monitor te liggen. Als u op de telemetrie-afdeling (3 Oost) komt, wordt u aangesloten aan de telemetrie. Dit is een apparaatje dat een signaal naar een monitor zendt, zodat we uw hartritme in de gaten kunnen houden.

Gezonde leefstijl

Als boezemfibrilleren wordt veroorzaakt door stress, koffie, drugs, alcohol of een zware
maaltijd, dan is het raadzaam deze factoren te vermijden of in elk geval te beperken. Ook een gezonde leefstijl met gezonde voeding en voldoende lichaamsbeweging kan helpen boezemfibrilleren te voorkomen.

Onderliggende kwaal

Als een andere ziekte of lichamelijk probleem de oorzaak van het boezemfibrilleren is,
bijvoorbeeld een longontsteking, dan zullen er eerst medicijnen gegeven worden om de
onderliggende kwaal te behandelen. Daarna wordt de hartslag meestal vanzelf weer
normaal.

Medicijnen

Er worden medicijnen die de hartslag vertragen voorgeschreven als:

  • u veel klachten heeft naar aanleiding van het boezemfibrilleren;
  • het boezemfibrilleren lang aanhoudt of
  • het steeds terugkomt.

Het hart kan dan nog steeds onregelmatig kloppen, maar omdat het hart langzamer klopt voelt u zich rustiger. Ook zorgen deze medicijnen ervoor dat u zich beter kunt inspannen. Medicijnen die hier meestal voor gebruikt worden zijn bètablokkers, calciumantagonisten en het geneesmiddel digoxine. Deze medicijnen verlagen de geleiding van elektrische impulsen door de AV-knoop.

 

Bloedverdunners

Als boezemfibrilleren langer dan twee dagen aanhoudt of terugkomt, dan krijgt u, naast de middelen om de hartslag te vertragen, ook bloedverdunners. Dit zijn medicijnen die zorgen dat uw bloed dunner is. Eén van de risico’s van boezemfibrilleren is dat er bloedstolsels ontstaan in het hart. Hoe dunner uw bloed, des te kleiner is de kans dat er een stolsel ontstaat.

Vocht vasthouden

U wordt dagelijks gewogen om te controleren of u geen vocht vasthoudt.

Electrische shock

Mochten medicijnen onvoldoende helpen, dan is het mogelijk om door middel van een
electrische shock het hartritme te normaliseren. Dit gebeurt in samenwerking met een
anesthesist. Deze laatste zal u een kortwerkend anaesteticum geven (roesje) gedurende ongeveer 10 minuten. In deze tijd krijgt u dan de electrische shock toegediend door de cardioloog. Na afloop voelt u er niets van. Voor deze behandeling dient u nuchter te zijn.

Leefregels na de behandeling

Als u naar huis gaat, is het van belang het volgende in de gaten te houden:

  • Als u weer last heeft van hartkloppingen of een onregelmatige hartslag, probeer dan uw hartslag aan uw pols te voelen en te tellen. Waarschuw zo nodig uw huisarts;
  • het is belangrijk om uw gewicht in de gaten te houden. Als u in korte tijd meer dan twee kilo aankomt, in combinatie met toenemende benauwdheid, neem dan contact op met uw huisarts;
  • wees matig met zout;
  • neem op tijd en volgens voorschrift uw medicijnen in en stop deze nooit zonder overleg met uw arts.

Contact

Als u na het lezen van deze informatie nog vragen hebt, dan kunt u die aan uw arts of verpleegkundige stellen.