Welke extra controles zijn nodig tijdens de bevalling?
Aan de buitenkant is niet te zien waarom de baby in het vruchtwater heeft gepoept. Daarom adviseren uw arts of verloskundige u om in het ziekenhuis te bevallen. Daar kan de hartslag van de baby continu gecontroleerd worden tot aan de geboorte van de baby. Dit gebeurt met een CTG (een soort hartfilmpje).
Wanneer de bevalling begint met het breken van de vliezen kunt u meteen zien of de baby in het vruchtwater heeft gepoept. Als de weeën niet op gang komen, raadt de verloskundige of gynaecoloog u aan om de bevalling in te leiden. Op de verloskamer in het ziekenhuis krijgt u een infuus met synthetisch oxytocine. Hiermee worden de weeën opgewekt zodat u gaat bevallen.
Als de baby tijdens de bevalling stress heeft en mogelijk lijdt aan zuurstoftekort, zien de verloskundige of arts dit vaak op het CTG. Zij zullen dit met u bespreken. Soms kan extra onderzoek nodig zijn om echt te weten of de baby zuurstoftekort dreigt te krijgen. Dit heet een microbloedonderzoek (MBO). Tijdens de bevalling kan de arts of verloskundige een druppeltje bloed uit de hoofdhuid van de baby nemen. In dit druppeltje bloed wordt onderzocht of de baby zuurstoftekort heeft. Dit onderzoek duurt een paar minuten en u hoort meteen de uitslag.
Als de uitslag niet goed is moet de baby snel geboren worden. De bloeduitslag is niet goed wanneer de zuurgraad (lactaat-waarde) van het bloed te hoog is. Afhankelijk van hoeveel ontsluiting er is, stelt de arts voor om een kunstverlossing of een keizersnede te doen.
Welke extra controles zijn nodig na de bevalling?
Na de geboorte kijkt de kinderarts de baby na. Hierbij wordt ook gecontroleerd of de baby poep in de longen heeft gekregen. De verpleegkundige controleert regelmatig de ademhaling van uw baby. Als alles goed blijft gaan, mag de baby 6 uur na de bevalling met u mee naar huis.
Bron: www.degynaecoloog.nl